Na de miskraam gaf ik mezelf lange tijd de schuld en raakte ik in een depressie.
Ik wilde de kamer waar mijn kindje was weggegaan niet verlaten. Ik maakte er een gevangenis van en werd zelf zowel de gevangene als de bewaker ervan.
Mijn lichaam deed pijn, maar dat was niet belangrijk. Mijn echte pijn was iets anders, iets wat niet in woorden uit te drukken was. Alleen maar huilen... huilen... huilen... dat was het enige wat ik nog kon doen.
Ik had de kracht niet meer om te werken. Ik had de kracht niet om vrienden en familie te zien. Ik kon het niet verdragen om zwangere vrouwen te zien en mezelf eraan te herinneren dat het mij niet was gelukt. Ik had evenmin de kracht om ouders met hun kinderen te zien.
Ik kon mijn partner niet onder ogen komen of met hem praten, ook al zag ik dat het met hem net zo slecht ging als met mij.
Ik werd een vrouw in een kooi.